
Jurisprudentie
AX8853
Datum uitspraak2006-06-14
Datum gepubliceerd2006-06-19
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Rotterdam
Zaaknummers10/775520-05
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2006-06-19
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Rotterdam
Zaaknummers10/775520-05
Statusgepubliceerd
Indicatie
Tijdens de strafoplegging aan een gedetineerde door verdachte als unit-directeur van een PI, slaat de gedetineerde een bij de strafoplegging aanwezige PIW-er. De PIW-er slaat de gedetineerde terug waarna en worsteling ontstaat tussen de gedetineerde en diverse PIW-ers. De gedetineerde wordt strafrechtelijk vervolgd voor mishandeling van de PIW-er. Deze strafzaak leidt tot een onderzoek naar de gang van zaken direct na de mishandeling. De unit-directeur wordt in het kader van dit onderzoek als getuige onder ede bij de RC gehoord. Naar aanleiding van dit verhoor volgt een strafzaak wegens meineed tegen de unit-directeur. Deze strafzaak eindigt in een vrijspraak wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.
Uitspraak
Datum uitspraak: 14 juni 2006
Tegenspraak
VONNIS
van de politierechter in de RECHTBANK TE ROTTERDAM, in de zaak tegen:
[naam verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
wonende te [woonplaats],
raadsman mr. R.F. Nelisse, advocaat te Rotterdam.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 1 juni 2006.
TENLASTELEGGING
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld is in de inleidende dagvaarding onder parketnummer 10/775520-05. Van deze dagvaarding is een kopie in dit vonnis gevoegd (bladzijden genummerd A1 en A2).
DE EIS VAN DE OFFICIER VAN JUSTITIE
De officier van justitie mr. Kaptein heeft ter terechtzitting van 1 juni 2006 gerekwireerd de bewezenverklaring van het tenlastegelegde en de veroordeling van verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 120 uur subsidiair 60 dagen hechtenis.
NIET BEWEZEN
Niet kan worden bewezen dat verdachte in zijn verhoor als getuige op 27 april 2005 bij de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, onder ede, heeft verklaard: "dat [naam slachtoffer] slechts onder controle is gebracht". Het proces-verbaal van de verklaring van de verdachte bevat deze uitlating niet.
Evenmin kan bewezen worden dat verdachte in genoemd verhoor heeft verklaard:
a. dat [naam slachtoffer] niet is geslagen en/of geschopt;
b. dat [naam slachtoffer] geen bloed en/of letsel had;
c. dat er geen bloed zat op de vloerbedekking en/of op de gang en/of op het kussensloop (over het hoofd van [naam slachtoffer]).
Verdachte heeft in het meerbedoelde verhoor wel over deze feiten en omstandigheden verklaard, maar daarbij telkens verklaard dat hij een en ander niet heeft gezien.
Hierbij moet worden opgemerkt dat bij een verdenking van een delict als het plegen van meineed, boven iedere twijfel verheven moet zijn op welke uitlatingen van de verdachte die verdenking berust. Die uitlatingen moeten ook zo nauwkeurig mogelijk, liefst letterlijk, in het feitelijk deel van de tenlastelegging worden opgenomen.
Wel kan bewezen worden dat verdachte de ten laste gelegde uitlating "dat hij, verdachte, geen signalen heeft gekregen dat er meer is gebeurd" heeft gedaan. Echter het wettig en overtuigend bewijs dat deze uitlating, hoe onwaarschijnlijk deze ook, gelet op alle omstandigheden tijdens en na het incident van 13 februari 2004, moge klinken, opzettelijk valselijk is gedaan, ontbreekt.
Verdachte zal dan ook van het ten laste gelegde worden vrij gesproken.
BESLISSING
De politierechter:
- verklaart niet bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. Van Klaveren, politierechter,
in tegenwoordigheid van mr. Knol, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 14 juni 2006.

